Verlangen naar objecten. Aandrang die geest en lichaam in beweging zet. Kāma is één van de drie relatieve menselijke doelen. Na veiligheid en zekerheid (artha), verlang ik naar vertier.
- kama
Kāma wordt ook wel specifieker vertaald als sexuele lust (denk aan kāma sūttra), maar in vedānta is kāma de algemene kracht die mij afleidt en misleidt, door mij naar de aantrekkelijkheid van objecten toe te trekken, zodat ik niet verzonken raak in de gelukzaligheid van mijzelf.
Kāma wordt veroorzaakt door onwetendheid, en de kracht om ten onrechte te veronderstellen dat ik afhankelijk ben van (begeerlijke) objecten in de wereld. Daarom houdt verlangen naar allerlei schijnbare objecten saṁsāra in stand. Eenmaal in werking is kāma een belangrijke drijfveer om onwetendheid in stand te houden, want het jaagt relaties met wereldse dynamieken aan omdat ik denk dat het geluk daarin zit. Zo draait de wereld door, en blijft manifesteren.
Alleen juiste zelfkennis sublimeert een werelds verlangen naar een verlangen naar vrijheid (mokṣa), het vierde menselijke doel achter alles.
Īśvara kan pas het resultaat van saṁsāra geven als levende wezens (jīvā, bewustzijn plus ogenschijnlijk een beleving van individualiteit) verlangens hebben. Zo is verlangen de reden en de drijvende kracht van het leven en van de wereld. En zo is verlangen de potentiële motor van de manifestatie. Rigveda (10.129) zegt: kāmaḥ tad agre samavartatādhi ‘Verlangen ontstond in het begin’. Svāmī's zeggen het vanwege de wetmatigheden van karma soms zo: ‘Īśvara wordt gedwongen om resultaten te geven, vanwege verlangens van jīva’.
In werkelijkheid is er alleen maar īśvara. Door de schijnbare dualiteit van īśvara schittert de non-dualiteit van brahman. In zijn eenvoud moet īśvara dus één gesloten, energetisch-fysisch systeem (entropie) zijn. Manifestatie staat of valt bij het gegeven dat onwetende levende wezens hun natuur als bewustzijn kunnen realiseren. Het een groot faciliterend spel van verlangens en verlangenbevrediging met als apotheose het bevredigen (tot vrede brengen) van het verlangen naar vrijheid van een mens, door het cognitief doorzien van het spel, en de herkenning dat ik het principe ben waarin alles zich schijnbaar afspeelt.
In vedānta sluiten alle perspectieven op elkaar aan. Māyā is de drie guṇa's, potentie tot energie. Alles in het gesloten energiesysteem is in flux, constante verandering. Voor verandering is een principe nodig, het één verandert in het andere. Dit volgt wetmatigheden. Aangezien elke verschijning op kennis (sattva guṇa) gebaseerd is, zal elk verlangen een resultaat opleveren. Voor deze beweging zorgt de kracht van projectie (vikṣepa). Rajas is het type energie (guṇa) dat daarbij hoort. Zo komen we op het individuele perspectief van verlangen. Namelijk een mens wil uit zijn gevoel van beperktheid komen, en verlangt naar grootsheid, waarde, zin, zekerheid etc. etc. Waarom verlangt een mens daarnaar? In werkelijkheid ben ik onnoemelijk groot (de grenzeloosheid, oneindigheid van brahman, dat letterlijk grootsheid betekent). Door onwetendheid denkt een mens dat hij zijn individu groot moet maken. Dit grote misverstand, levert de meest malle verlangens en strategieën op. Het probleem is dat in de duale wereld elke bevrediging van verlangen zijn tegendeel oplevert. Dit kan zijn meer verlangen, verslaving, andermans nijd, angst het verworvene te verliezen (yoga kṣema, bhagavad gītā 9.22). Niet zo gek dat mensen leven alsof de duivel (materie) ze op de hielen zit.
Naast de rechtstreekse resultaten uit de wereld, laat kāma-karma een spoor achter in het causale lichaam, een zogenaamde vāsanā. Deze vāsanā zal weer ontspruiten in het subtiele lichaam tot een nieuw verlangen. Bij geboorte hebben mensen al een zeker pakket (saṁskāra) van dit soort vāsanā's bij zich, die een route zoeken in het leven om zich uit te werken. Karma, actie, intensiveert en vernieuwd kāma en jaagt zo saṁsāra aan. Deze dynamiek wordt gefaciliteerd door īśvara door er een context, onderhoud van resultaten en einde door middel van kennis aan te geven.
Over de dynamiek van verlangen. Als ik niet krijg wat ik wil, raakt het verlangen gefrustreerd. Dit leidt tot krodha (woede), verwarring (moha) en verdriet (śoka), en zelfdestructie (vināśa) (Gītā 2.62-63) soms. Een verlangen begint als gedachte. De gedachte krijgt de status van een verlangen als er een wil (dhṛti) achter zit (die haar tot vervulling aanzet). De wil is motor die het verlangen aanzet tot meer mentale of fysieke actie van het grove lichaam met overeenkomstige mentale en/of fysieke resultaten. Dan is nieuw karma geboren, wat een nieuwe vāsanā achterlaat, wat een nieuw verlangen opwekt. In dit soort loops zitten mensen gevangen.
Omdat onwetendheid een natuurlijk toestand is, is verlangen natuurlijk. Maar verlangen dat voortkomt uit tamas (de materiele guṇa van traagheid) degradeert een persoon in het leven en dat verhindert spirituele vooruitgang. Het geleidelijk omzetten van dergelijke verlangens in rājasika-verlangens (door ze discreet te maken en te vervullen in overeenstemming met dharma) is een stap in de goede richting. Wanneer het rājasika-verlangen wordt gesublimeerd door puruṣārtha niścaya, de overtuiging (niścaya) dat mijn menselijk doel (puruṣārtha) vrijheid (mokṣa) is, wordt het een sāttvika-verlangen. Verlangen dat in sattva wordt gevormd, is vrij van afstompende motieven. Het is zo goed als niet-verlangen en helpt de weg naar vrijheid vrij te maken.
Het verwijderen van verlangens is niet mogelijk en ook niet nodig. Zoals in het eerste stuk uitgelegd, ik verlang omdat ik leef, en ik leef omdat ik verlang. Dat is het wiel van bestaan. Verlangen wordt een probleem als ik er in de ban van kom, aldus Swami Dayananda. Als ik handel vanuit een zuiver dharmisch verlangen, puur om bij te dragen, met als enige doel vrijheid heet dat niṣkāma-karma. Ik raak in de ban van verlangen naar allerhande benodigheden, als ik me ermee identificeer, als het verlangen bedoeld is om ahaṅkāra, ego te spekken. Dan handel ik vanuit een bindend verlangen (sakāma karma of kāmya karma), en wil ik dingen van de wereld/ īśvara.
In de kern is ieder verlangen een wens om vrij te zijn van de verlangende persoon. Een mens zoekt de rust van zichzelf. De paradox is dat mensen verlangens bevredigen, juist om de druk van het verlangen in de mind even stil te krijgen. De cirkelbeweging van kāma-karma-vāsanā op microschaal gaat gelijk op met het cyclische saṁsāra. Zo is een persoon een speelbal in het goddelijke veld van saṁsāra.
Verlangens werken dus averechts. Zelfs bij het realiseren van de waarheid. In eerste instantie is een vurig verlangen naar de waarheid van mijzelf nodig, maar om werkelijk te zijn wat men al is, moet dit verlangen uiteindelijk volledig tot rust komen.
Wel is het verlangen naar vrijheid nodig om de focus op te krijgen op de teaching. Om erbij te blijven en om zelfverzekerd omstandigheden te creëren die helpen bij de beoefening. Het is de kennis (!) van deze dynamieken die de angel van verlangen uit de cirkelbewegingen haalt, waarin we gevangen zitten. Dan kan ik gewoon zijn wat ik ben. Dan kan ik bewust een keuze maken, en kan ik inzien dat het onverstandig is om in te gaan op een bindend verlangen. Dan wordt verlangen een schijnbaar spel, dat in werkelijkheid is uitgedoofd (nirvāṇa).
Met inzicht in de subtiele dynamiek van iets als verlangen, zien we dat vedānta, naast de sleutelkennis dat en hoe ik vrij ben, ook de relatieve kennis kan zijn die kennis belemmert. Als ik vedānta beoefen uit verlangen om iets nobels te doen, zonder te zien dat vedānta zelf ook een object is, is dat niet genoeg. Ik moet de juiste betekenis op mezelf, mezelf, toepassen, keer op keer. Dat is echt, oprecht verlangen naar het vrije zelf, het enige wezen dat is.