Niet van menselijke oorsprong. De kennis (jñāna) van niet-menselijke (puruṣa, een persoonlijke) oorsprong, maar schijnbaar afkomstig van īśvara (brahman, je werkelijke zelf).
- apauruseya
In de matrix, veroorzaakt door māya, de relatieve werkelijkheid, is ook de kennis meegegeven, om bewustzijn de kans te geven, zichzelf te leren kennen. Deze zelfkennis is nu net wel weer de bijzondere toestand van een jñānī, een kenner die weet dat zijn persoonlijkheid (puruṣa) mithyā is. bewustzijn zelf is attribuutloos en dus kennisloos, gedachteloos. Bewustzijn zelf is pure kennis an sich. Zo beziet de jñānī de mens die in hem verschijnt als een valse verschijning van zichzelf, bewustzijn. Dat is de grap van het bestaan.
Deze kennis komt van god (īśvara), omdat īśvara alle kennis (sarvajña) is, zowel schijnbare onwetendheid als wetendheid?
We hoeven maar naar ons eigen leven te kijken. Wie komt er nou zelf op het idee dat je in werkelijkheid het enige bent dat is, oneindig, zonder enige kwaliteit, vrij, vol, heel, complete, stralend bewustzijn, gelijk het zijn zelf.
Vandaar het belang de veda's te volgen (āstika). De veda's zijn het kennismiddel dat wijst op onze aard als het 'zijn' (asti, het is) zelf.